Volledig scherm
Lizet van Beek en Nol Havens zingen ‘De graaf van Tjip Tjap Tjoep', een kinderlied van Jan Naaijkens. © Marie-Thérèse Kierkels/BeeldWerkt

Hilvarenbeek gaat zijn zoon van een eeuw niet vergeten: memorabele ode aan Jan Naaijkens

HILVARENBEEK - Jan Naaijkens is zondag 100 jaar geworden. Het dorp vierde leven en werk van de culturele inspirator, ook al kon die de ode zelf niet ondergaan.

Verwonderd heeft de man die nu honderd is naar zijn tafel vol met felicitatiekaarten zitten staren. De burgemeester kwam van de week ook al langs. Die beste kerel is door de eeuweling een keer of tien gevraagd wat ‘ie eigenlijk kwam doen. In de gangen van de Clossenborch klampten de jongere bejaarden hem de hele week aan voor een welgemeend proficiat. ‘Ge kent me toch wel, Jan’, zeiden ze erbij. En dan antwoordde het zondagskind van een eeuw: ‘Maar natúúrlijk.’ Leer Jan Naaijkens toneel spelen.

Op zaterdag en op zondag, zijn verjaardag, zat de theaterzaal van Hilvarenbeek drie keer mudvol om leven en werk van Jan Naaijkens te vieren. Achter het KlarinetNsemble en het koor van Becadans, dat niet alleen zong maar ook de rommelpot beroerde, werd in Elckerlyc een reusachtige portrfoto van zo te zien wel een halve eeuw oud geprojecteerd. Een sigaret bungelde uit zijn linker mondhoek. De handen staken in de zakken. Maar uitdagend was de blik. Zoiets als: ‘Deze Bikse jongen gaat de honderd halen. Hèndig!’

Lees onder de foto verder 

Volledig scherm
Het ‘uitdagende’ affiche van ‘Jan Naaijkens 100'. © Marie-Thérèse Kierkels/BeeldWerkt

Het volk hoopte dat ie toch nog zou komen naar Elckerlyc. Maar er zat niet meer in dan met de hele familie op zondagmiddag naar de Gouden Carolus voor een feestje in kleine kring. Nou ja, klein. Jan en Agnes Naaijkens kregen twaalf kinderen. Zoiets koekt aardig aan.

Ondertussen vond spreekstalmeester Michiel van der Sanden het in Elckerlyc niet nodig ‘lang zal ie leven’ te zingen. Dus galmde het ‘hiep hiep hoera’. En toen ging het feest, zonder feestvarken, opnieuw van start.

Dat Beek van Hildewaris

Het is dan ook een dorp dat raar is, dat Beek van Hildewaris. Zo schreef Jan Naaijkens het op in 1985. Onder de scheve toren voerde het halve dorp nog maar eens een spel van hem op. ‘De ballade van de Rooie Fik’ klonk toen ook. Over een zwerver met een pet waar je soep van kon koken. ‘Maar Fik was niet eeuwig, hij trok er vandeur’, dichtte Jan tot slot. Nou is hij zelf eeuwig en er nog steeds niet vandoor.

Ze laten ook wat zien van zijn grafische kunsten. Toen hij in de oorlog als verzetsman ondergedoken zat in Amsterdam, sneed Jan letter voor letter in hout een gedicht uit van Charles Péguy, die sneuvelde toen de wereldoorlog daarvoor goed een maand aan de gang was. ‘Heureux ceux qui sont morts’: zalig zij, die gestorven zijn.

Zalig hij, die na een lang leven, zonder erbij te hoeven zijn, een hele zaal als zeebonken kan laten zinderen: ‘In iedere haven daar wacht ons een wijf - heihopsasa, heihopsasa, hei - ze jaagt met haar ogen de brand in ons lijf’.

Uiteindelijke Vertwijfeling

Zjef, de zoon die zijn echo is, mag drie keer het bal in Elckerlyc openen met de Ballade van de Uiteindelijke Vertwijfeling. Schreef pa in 1961. Het gaat over Jaon d’n Os, die dankzij de muze maar net aan de galg ontsnapte. Voor hij op moet, rookt en drinkt Zjef zondagmiddag buiten nog wat. Pa was in goeden doen, zegt Zjef. Hij heeft in de Gouden Carolus de Ballade van d’n schrale Hovenier nog voor hem gezongen. Zjef zag dat Jan zijn eigen woorden herkende. ,,Maar mij herkende hij voor het eerst niet meer.” Wat zeg je dan? Gewoon: ,,Ik ben Zjef, jouw zoon.”

Jan Naaijkens heet de zoon van Hilvarenbeek te zijn. De kans is gering dat ze hem daar ooit gaan vergeten. 

Tilburg e.o.