Volledig scherm
Cocaïne © Thinkstock

Ossenaar en Megenaar verkochten cocaïne aan undercoveragent

DEN BOSCH/OSS - Een 29-jarige Ossenaar en een Megenaar van 37 verkochten in maart vorig jaar cocaïne aan een undercoveragent. De politierechter veroordeelde de Osse hoofdverdachte tot een celstraf van 3 maanden, waarvan 6 weken voorwaardelijk. De oudere man kreeg een werkstraf van 40 uur.

Quote

Het was slechts een vrienden­dienst. Ik was niet zijn compagnon of zo

37-jarige Megense verdachte

De Megenaar was op 15 maart 2018 in het huis van de Ossenaar. "Zijn telefoon ging en ik heb die opgenomen", zei de verdachte. De undercoveragent vroeg of hij drugs kon kopen. 

De Megenaar wilde hem wel helpen. "Ik wist waar het spul lag en gaf hem dat. Ik kreeg vijftig euro van die koper. Die heb ik afgegeven. Het was slechts een vriendendienst. Ik was niet zijn compagnon of zo."

Verbaasd

De undercoveragent was ook verbaasd dat hij de Megenaar aan de lijn kreeg. Hij had namelijk een onderzoek opgezet naar de Ossenaar. Er waren anonieme tips over deze verdachte binnengekomen, waarna politiemensen gingen 'posten' bij zijn woning. Ze zagen veel 'korte bezoekjes'. De verdachte had daarbij veelvuldig telefonisch contact met een zeer groot aantal mensen. Het lukte de agenten echter niet om de man op heterdaad te betrappen. De politieman besloot de Ossenaar daarom zelf te benaderen. Hij kocht al twee keer eerder bij de verdachte, voor hij op de Megenaar stuitte.

Het Openbaar Ministerie vond dat de Ossenaar veroordeeld moest worden voor langdurig dealen. De rechter bestrafte de man slechts voor een korte dealperiode, in maart 2018. Zij was er weliswaar ook van overtuigd dat de hoofdverdachte lange tijd in drugs handelde, maar vond dat het harde bewijs hiervoor ontbrak.

Megenaar nog in proeftijd

De Megenaar had geluk met zijn werkstraf. De man was na een eerdere veroordeling 'voorwaardelijk in vrijheid gesteld': hij liep nog in een proeftijd toen hij de drugs aan de agent gaf. Hij had daarom mogelijk nog 500 dagen in de gevangenis door moeten brengen. Het Openbaar Ministerie was echter te laat met het indienen van een verzoek tot 'herroeping van de voorlopige invrijheidstelling'.