Volledig scherm
Kruikenstad in Koor op de Heuvel. © Marie-Thérèse Kierkels/Beeld Werkt

Drieluik: Carnavalsontmaagding van een Randstadmeisje. Deel 3, Verbintenis

Do 18 feb: ‘Je neemt toch geen confetti mee naar 013?’. Na drie dagen carnaval overheerst soms mijn wat naïeve kijk op de wereld nog even.

Een gastblog van Sanne de Koning, ze verhuisde van Amsterdam naar Tilburg. Vandaag deel 2: Verbintenis.

Ik ken 013 als rocktempel en in mijn beleving ga je daar niet met confetti en slingers gooien, ook niet tijdens het Tjeukefist. Ik voeg er nog vermanend aan toe: ‘Dan moeten ze dat daar allemaal zelf opruimen!’

Beginnersfoutje, blijkt: zodra we 013 instappen moeten we ons door bergen confetti heen waden om de grote zaal binnen te komen. Waar normaal gitaren gieren, dansen en krijsen nu honderden kinderen op - wat gezegd moet worden - kindermuziekjes op aangenaam geluidsniveau. Best fijn voor ’t hoofd, wat gisteravond was natuurlijk ook weer een fijnfisjenie.

Over het hoofd gesproken, de dag begint met bezinning. In de St. Jozefkerk op de Heuvel, waar men normaal statig en stil luistert en bidt in de kerkbanken, staan we nu allemaal verkleed in te haken op de carnavalsklassiekers, gespeeld door de hofkapel. De voorganger, Vlaams van oorsprong, worstelt net als ik met het Tilburgse dialect en dat schept meteen een band. Zijn woorden raken de kern van carnaval, zoals ik in mijn vorige blog al beschreef: verbintenis en verbroedering.

De mis maakt diepe indruk op me: er is veel humor, door onder andere een geweldige voordracht van Frank van Pamelen, maar er is ook ruimte voor mensen die verbintenis in praktijk brengen. Pater Poels vertelt zijn indrukwekkende verhaal over zijn Stichting Broodnodig, iets wat ik nog helemaal niet kende en waar ik ook de noodzaak niet van kende. Het koor en de hofkapel brengen fantastische versies van Tilburgse liederen, er zijn mooie lezingen, er wordt gebeden en vooral veel gelachen.
Met een warm hart mijmer ik nog even door over de zin van het leven, voordat we ons uiteindelijk weer in het feestgedruis storten.

En voordat we het weten is het tijd voor ’t Sebiet. Voor de laatste maal verzamelen we ons, dik ingepakt, op de Heuvel. Aan de stemmen van de zangers van de dweilbands is duidelijk te horen dat carnaval op z’n eind loopt, maar dat deert niet. Met een schrobbelèr in m’n hand denk ik terug aan de afgelopen dagen. Ik heb veel mensen leren kennen, we hebben met elkaar gedanst, gedronken & gezongen en gezeverd.
Na vier dagen voelt verkleed over straat lopen heel natuurlijk aan, net als een praatje maken met iedereen die je tegenkomt.

Het verbaast me dan ook niet, als ik hier en daar een traan zie wanneer Prins Robèrt d’n Irste de sleutel overhandigt aan wethouder Erik de Ridder. En wanneer hij en z’n adjudant samen de Kruikenzeiker van z’n sokkel halen en wij uit volle borst ‘Sebiet dan is ut mèèrge’ zingen, voel ik ook een steekje in m’n buik. Het is nu echt voorbij en wat was het geweldig.
En nu is het teren op de mooie herinneringen en alvast uitkijken naar november, want carnaval & Sanne is wat mij betreft een goed huwelijk. Dus het komende jaar ga ik keihard werken om dat huwelijk nog beter te laten slagen, want affeseere doe gin zeer!

Meer verhalen van Sanne de Koning zijn op haar eigen website te vinden.

BD gebruikt je persoonsgegevens om deze reactie te kunnen plaatsen. Meer informatie vind je in ons privacy statement