Volledig scherm
Bestie van Rosmalen is bezig met het plooien van het 'toerke’. Foto Janneke Hobo © Janneke Hobo

De poffer als hèt Brabantse statussymbool

MIJN BDIn de verhalenserie Mijn museum nemen we een kijkje in een ­privémuseum aan huis. Deze keer museum De Muts in Uden, dat vol staat met poffers.

Het Ujens mutske ziet er weer heel anders uit dan de kroezel of kroon uit West-Brabant. Elk dorp had vroeger een eigen poffer, een muts die door vrouwen op het platteland gedragen werd. Maar alle mutsen hebben één ding gemeen: het zijn stuk voor stuk kleine kunstwerkjes waar het vakwerk vanaf straalt.

Als je door museum De Muts in Uden loopt, ga je ruim honderd jaar terug in de tijd. Je ziet het bijna voor je: de mutsenmaakster zit in een slechtverlichte kamer kromgebogen boven een stuk kant. Naast haar ligt een arsenaal aan eenvoudig gereedschap. Met koperen rietjes maakt ze verschillende soorten plooien. Alleen al met de voorstrook, het toerke, is ze uren bezig. ,,Daar komt ook de uitdrukking ‘het is een hele toer’ vandaan”, zegt Betsie van Rosmalen (72) uit Uden.

Volledig scherm
Deze poffer is gemaakt door de Udense mutsenmaakster. Foto Janneke Hobo © Janneke Hobo

Verborgen parel

Onder haar huis, in een kelder van ongeveer 65 vierkante meter, bevindt zich een verborgen parel. Een verzameling van historische Brabantse mutsen en poffers uit de periode 1850 tot ongeveer 1950. Maar er is nog veel meer te zien. Bijvoorbeeld originele Brabantse klederdracht die voornamelijk door de mensen op het platteland gedragen werd. Maar ook gereedschap van de mutsenmaakster en spulletjes uit grootmoeders tijd.

In 1991 is Van Rosmalen begonnen met het verzamelen van poffers. ,,Samen met drie andere vrouwen maakte ik zelf poffers. We struinden markten af, op zoek naar mutsen om na te maken of op te knappen. Het werden er steeds meer en zo is het ontstaan.”

Rijk versierd

In vitrinekasten staan de poffers uitgestald. De één nog rijker versierd dan de ander. Er is ook een collectie rouwpoffers te zien. ,,De poffer was vroeger hèt statussymbool op het Brabantse platteland. Rond Pasen, als het mooi weer was, zag je de mooiste poffers tevoorschijn komen. Ons moeder zei dan altijd: ,,Op die poffer zitten zoveel bloemen, je kunt er een os op weiden.” Dat ben ik nooit vergeten.” De muts kostte de boer dan ook bijna een jaarsalaris. ,,Met de komst van kunstmest groeide de poffer. Boeren kregen meer te besteden en de mutsen werden groter. En daar komt dan weer de uitdrukking ‘Wie het breed heeft, laat het breed hangen’ vandaan.”

En zo heeft Van Roosmalen nog veel meer te vertellen over haar prachtige collectie. ,,De poffer is een stukje erfgoed dat verloren dreigt te gaan. Er zijn maar weinig poffers bewaard gebleven. Ik krijg soms nog wat mutsen van kinderen die na de dood van hun moeder nog iets op zolder vonden. Ooit hoop ik een Vlijmense muts te krijgen. Die zijn zo mooi!”

‘Die Brabanders, wat een schonkig en lelijk volk’

Nee, kostuumhistoricus Theo Molkenboer was in 1917 niet gecharmeerd van de Brabantse mensen en hun klederdracht.

‘Nu behooren de bewoners van Noord-Brabant zeer zeker niet tot de mooiste specimina van het genus homo dat ons land bewoont.’ Zo begint Theo Molkenboer zijn beschrijving over de klederdracht in Brabant in zijn boek De Nederlandsche Nationale Kleederdrachten uit 1917. En dit is nog maar een mild begin, even verder gaat hij pas echt los. ‘Het lijkt wel of de zware klei en dorre drooge zand- en heidegronden die - geologisch - deze provincie vormen, de bevolking van die streken tot dat kleine, breede, schonkige, breedhoofdige ras heeft gemaakt met dat harde, verbetene, stugge uiterlijk dat den opmerker dadelijk opvalt.’

Molkenboer (1871-1920) was een redelijk bekende kunstschilder en daarnaast erg geïnteresseerd in klederdrachten. In 1916 stelde hij er een boekje over samen, dat in 1917 verscheen bij uitgeverij J.H. Meulenhoff.

Bittere armoede

Dit boekje ligt ter inzage bij museum De Muts en tovert een glimlach op het gezicht van de bezoekers. Zij weten immers wel beter en bovendien zijn de tijden veranderd. Maar toch zit er wel een kern van waarheid in de omschrijving van Molkenboer. Niet als het gaat om het uiterlijk van de Brabanders maar wel als het gaat om de kledij. In Brabant heerste vroeger bittere armoede en dat zag je terug in de klederdracht die vaak donker van kleur was en erg eenvoudig oogde. Dus niet zozeer het uiterlijk maar vooral de leefomstandigheden zorgden voor die sombere dracht.

Al dacht Molkenboer daar anders over: ‘Omdat de lichaamsbouw van de Brabanders zo leelijk is, moet het niet verwonderen dat die zelfde plompheid en traagheid die uit hun ongracelijke verschijning spreekt, ook als het hoofdkenmerk van den vorm, de snit en de kleur van hun kleedij gelden moet. Want deze is grof van detail, niet oud maar ouderwetsch, zonder phantasie, zonder uiting van levenslust maar kleinzielig van gedachte, zonder vreugde, benepen en boersch. Een dracht van oude mannetjes en oude vrouwtjes...’

Hier is het

Museum De Muts is te vinden aan Hurk 101 in Uden.

Het museum is elke eerste zondag van de maand geopend van 13.00 tot 17.00 uur. Verder is het museum open op afspraak.

Voor meer informatie of het maken van een afspraak: museumdemuts.nl Tel: 0413-260126

Volledig scherm
Een overzicht van museum De Muts. Foto Janneke Hobo © Janneke Hobo