Volledig scherm
De boerderij ingeklemd tussen struiken. Romke van de Kaa kan het moeilijk begrijpen. ‘Alsof de bewoner zich toch niet helemaal senang voelt.’ © Shutterstock

‘Boeren doen weinig goeds voor het landschap, maar randstadverlaters zijn erger’

Eigen tuin eerstTuingoeroe Romke van de Kaa vertelt elke week hoe je een lustoord maakt van een dorre lap grond. Deze week een persoonlijke ergernis: de tuinen van nieuwbakken boerderettes. Vooral als er een heleboel coniferen in staan.

Ons oude cultuurlandschap verloedert. De media laten niet na te benadrukken wat een ramp het voor ons landschap is dat steeds meer boeren hun bedrijf beëindigen.

De boer, hoeder van knotwilgen, houtwallen en vlechtheggen, verdwijnt. Dat die boer verdwijnt zie ik met eigen ogen, maar dat de boer zo’n geweldige hoeder van ons landschap was - daarop valt wel wat af te dingen. Ik zou anders niet weten waar al die egaal groene voetbalvelden van Engels raaigras en die saaie maisakkers vandaan komen.

Vrolijk likje

Maar goed, ook mij doet het pijn te zien hoe ooit bedrijvige boerderijen veranderen in woningen van kapitaalkrachtigen die de Randstad zijn ontvlucht. Het ergst zijn de boerderijen die in stijl zijn verbouwd, met glas in de deuren en een vrolijk likje verf op de gietijzeren stalraampjes. En met een boerentuin, met pluimhortensia’s en buxushaagjes. Verbazingwekkend hoe je een boerderij in een handomdraai in een boerderette verandert. Een paardenweitje met een wit geschilderd hek erom, een borrelende waterbol in de voortuin, en je hebt elke herinnering aan het boerenleven vakkundig weggepoetst.

Camouflage

Volledig scherm
Romke van de Kaa. © Koen Verheijden

De tuinen van die nieuwbakken buitenhuizen zijn het allerergst. Ze passen in het landschap als een walrus in een knollenveld. Boerderijen liggen vaak als bakens in het boerenland en de nieuwe bewoner begint dan ook met het planten van camouflage - alsof hij zich toch niet helemaal senang voelt, zo open en bloot tussen akkers en weilanden. Met overheidssubsidie plant hij een haag met sleedoorn en meidoorn en andere inheemse struiken, of zonder subsidie van coniferen. 

Dat laatste is het vreselijkst. De nieuwe bewoner van de voormalige boerenbehuizing is vaak al wat op leeftijd - je moet meestal een aantal jaren sparen voordat je een klein miljoen kunt uit- geven aan de aanschaf van een plattelandswoning. En wie op leeftijd is, heeft haast. Hij wil snel dichtzitten, zoals dat in hovenierstaal heet. Daarom plant hij leylandcipressen, want dat zijn de snelstgroeiende coniferen. En ook de coniferen die het minst in ons landschap passen. In ons boerenland passen veel tinten groen, maar het grijsgroen van de leylandcipres hoort daar niet bij.

Als we dan niet kunnen voorkomen dat onze boeren er noodgedwongen de brui aan geven, en als alle boerderijen dan door goedwillende stedelingen moeten worden opgeknapt, laten die laatsten zich dan in elk geval opwerpen als de nieuwe hoeders van ons landschap, in plaats van het vol te plempen met coniferen. En als het dan per se een conifeer moet zijn, kies dan voor taxus. Taxus wordt dikwijls als haag geplant, en daarvoor is de struik ook bij uitstek geschikt omdat je hem vanwege zijn langzame groei maar eenmaal per jaar hoeft te snoeien.

Ook als vrijstaande boom misstaat hij niet in het landschap. Maar plant hem niet naast die paardenwei. Paarden zijn niet altijd even slim; ze eten van die taxus en gaan dood.